Naar boven

Biodiversiteit: Kans voor de agrarische sector

Bij biodiversiteit gaat het om alle organismen in hun verschillende habitats: in de bodem, in het water en op het land. Het betreft de verscheidenheid aan ecosystemen, de genetische diversiteit en de soortenrijkdom aan dieren, planten, paddenstoelen en schimmels en micro-organismen.

Biodiversiteit is een van de belangrijkste fundamenten onder ons bestaan en daar moeten we zuinig op zijn. Er moet dan ook grondig onderzoek worden gedaan naar onze invloed op de biologische verscheidenheid. In het kader van een DMK-pilotproject zijn positieve en negatieve hotspots geïdentificeerd die groot potentiëlen voor de melkproductie opleveren. Een opmerking vooraf: de deskundigheid die melkveehouders uit hun dagelijkse werk halen, komt al ten goede aan de biodiversiteit op hun bedrijven.

Biodiversiteit is geen eenrichtingsverkeer, maar een kans voor de agrarische sector om nieuwe wegen in te slaan en aan de slag te gaan met thema's op het gebied van diversiteit. Via kleine gerichte maatregelen kunnen we al belangrijke steentjes aan het totaalbeeld bijdragen

Pilotproject van DMK en de Bodensee-Stiftung

De Bodensee-Stiftung is een particuliere milieu- en natuurbeschermingsorganisatie die zich intensief bezighoudt met landbouw, biodiversiteit en klimaatbescherming. De stichting heeft in opdracht van DMK tien pilotbedrijven bezocht en de stand van de biodiversiteit in kaart gebracht met behulp van de in eigen beheer ontwikkelde Biodiversity Performance Tool (BPT). Aan de hand van de 78 indicatoren van de BPT werden de sterke en zwakke punten van de bedrijven vastgelegd. Elke indicator werd aan de hand van vijf vragen geëvalueerd via een verkeerslichtsysteem. Bij rood scoort het bedrijf onvoldoende op het desbetreffende punt. Groen staat voor een positief effect op de biodiversiteit. Aan de hand van deze inventarisatie kan de melkproducent maatregelen ter verbetering van de biodiversiteit kiezen.

Voordelen van veevoeder zonder gentechnologie

De bedrijven scoorden onder meer goed op het gebied van GGO-vrije melkproductie. Veevoeder waar geen gentechnologie aan te pas komt, verlaagt niet alleen de druk op de regenwouden en andere ecosystemen, maar ondersteunt ook de regionale productie van veevoeders. 70 procent van de DMK-melkproducenten neemt al deel aan het “Ohne Gentechnik”- programma. De BodenseeStiftung oordeelde ook positief over de inzet van tussengewassen. Groenbemesters voorzien de bodem van organische substanties tijdens de periode dat deze anders braak zou liggen. Ze dragen bij aan de bescherming van milieu, grond en water, voorkomen ongewenste effecten als bodemerosie en uitputting van de grond en verbeteren de bodemstructuur. Ook het feit dat de bedrijfsprocessen transparant zijn (bijv. de gedetailleerde mestboekhouding en de registratie van gewasbeschermende maatregelen), werd positief beoordeeld.

Blijvend grasland en weidegang dragen bij aan zowel de biodiversiteit als de klimaatbescherming dankzij de verlaging van de CO2-uitstoot. DMK stimuleert de weidegang dan ook in het kader van het Milkmaster-bonusprogramma.

Soortenrijkdom bevorderen

Het project leverde vooral ontwikkelingspotentieel op voor de soortenrijkdom. Op een van de bedrijven waren voorafgaand aan het project al peulvruchtgewassen aangeplant. De familie van vlinderbloemigen kent namelijk de grootste verscheidenheid aan soorten die stikstof uit de lucht kunnen opnemen en vastleggen. Daarmee dalen de CO2-uitstoot en de behoefte aan minerale stikstof. Onderzoek wijst er al met al op dat de inzet van onderzaai aanbeveling verdient. Het is belangrijk voldoende ruimte te bieden aan flora en fauna – inclusief bedreigde soorten – om de biodiversiteit te versterken.

Maatregelen voor melkveebedrijven

De uitwisseling met de Bodensee-Stiftung heeft naast de reeds getroffen maatregelen ook duidelijk gemaakt welke stappen effectief en duurzaam aan de verbetering van de biodiversiteit kunnen bijdragen. Het zou bijvoorbeeld een optie kunnen zijn natte of hogere delen ongemoeid te laten. Braakliggend land is belangrijk voor klein wild, vogels en insecten, die zich daar schuil kunnen houden. Vooral bij grote percelen zouden de randen en hogere delen ongemoeid gelaten kunnen worden. Verder zouden hier vaste bloeiende gewassen aangeplant kunnen worden. Met dergelijke stroken kunnen grote arealen onderverdeeld worden. Ze kunnen tevens fungeren als habitat voor wilde dieren en insecten.

Ook kunnen vlinderbloemigen intensiever op grasland worden toegepast. Klaver is bijvoorbeeld een waardevolle bron van eiwitten, verbetert de bodemstructuur en bindt stikstof. Daar staat wel tegenover dat het grasperceel dan iets meer onderhoud vergt.

Ook via onderzaai vallen de doelen van klimaatbescherming en biodiversiteit uitstekend te verenigen met die van de akkerbouw. Onderzaai bij mais verbetert bijvoorbeeld de bodemstructuur en gaat erosie tegen. Het kan ook een antwoord zijn op perioden van droogte en voedseltekorten. Er staan veel voordelen tegenover de grotere inspanningen.

Een blik op de toekomst

De afgeronde pilotstudie toont aan dat de reeds ingeburgerde maatregelen bijdragen aan de biodiversiteit. In bepaalde segmenten van de landbouw is echter nog ruimte voor verbetering. Daarbij moet uiteraard wel rekening worden gehouden met het individuele karakter van de bedrijven. Er moet geïnventariseerd worden welke mogelijkheden nog niet zijn benut. Verder moeten er gemeenschappelijke doelen van landbouw en biodiversiteit worden geformuleerd om daadwerkelijk van synergie-effecten te profiteren.

Hoe wij werken.

Duurzaamheid als collectieve taak